Een tocht in onrustige tijden
Toen op 3 februari 1917 de derde officiële Elfstedentocht werd verreden, was Nederland weliswaar neutraal in de Eerste Wereldoorlog, maar de gevolgen van die oorlog waren overal voelbaar. Brandstof was schaars, voedsel werd op de bon verstrekt, en de winter van 1916-1917 was streng. Juist dat strenge weer maakte een tocht mogelijk waar in de jaren daarvoor geen ijs voor was.
De winnaar werd Coen de Koning, die daarmee zijn eerdere zege uit 1912 herhaalde. Hij reed de tocht in negen uur en drieënvijftig minuten — bijna twee uur sneller dan vijf jaar eerder. De tijd zou jarenlang als ijkpunt gelden.
De Koning als eerste tweevoudig winnaar
Met zijn overwinning in 1917 werd De Koning de eerste schaatser die de Elfstedentocht twee keer wist te winnen. Voor een evenement dat pas drie keer was verreden, was dat een opmerkelijke prestatie: één rijder had inmiddels twee van de drie edities op zijn naam staan.
De Koning combineerde kracht met techniek. Hij hield het tempo lange tijd gelijkmatig en versnelde pas in de laatste uren. Op de retourroute door noordoost-Friesland, in de buurt van Dokkum, sloeg hij definitief een gat met zijn directe concurrenten.
Het ijs in 1917
Het ijs was die winter ongelijk van kwaliteit. Op sommige stukken was het glad als spiegel, op andere plekken stond geulen door wind tijdens de vorstperiode. Met name op de open vaarwegen rond Stavoren en op de route naar Workum hadden de schaatsers last van ruwheid en kleine scheuren.
De organisatie had de tocht inmiddels strakker georganiseerd dan in 1909. Er waren duidelijke startgroepen en de controles in de elf steden verliepen sneller. Tegelijk was het hele evenement nog steeds bescheiden van opzet, zonder grote menigtes langs de hele route.
Een prestatie in een sober jaar
Door de oorlogseconomie was er weinig ruimte voor feestelijkheden. De winnaar werd ontvangen, er waren toespraken, en de plaatselijke kranten besteedden aandacht aan de uitslag, maar van grote spektakels was geen sprake. Voor veel Friezen was de tocht juist daarom een welkome onderbreking: een dag waarop niet de oorlog of de schaarste centraal stond, maar de eigen provincie en het eigen ijs.
Voor de tochtrijders gold hetzelfde. Wie de finish bereikte kreeg een herinneringskruisje, en dat was meer waard dan de tijd waarin het was verdiend. De tocht versterkte het idee dat de Elfstedentocht niet alleen iets voor toprijders was.
Brandstof, voer en het ijs
De winter van 1916-1917 had één voordeel voor de Elfstedentocht: ze leverde betrouwbaar ijs. Maar diezelfde strenge winter betekende voor Nederland buitensporige problemen met brandstof. Steenkool was schaars, en wie de tocht reed, kwam vaak van een huis dat niet of nauwelijks verwarmd was. Veel deelnemers waren daardoor al voor de start gewend aan kou.
Voor de paarden en sleden die langs de route reden — vaak om materiaal of mensen te vervoeren — was de situatie precair. Voer voor paarden was duur en schaars. Toch slaagde de organisatie erin om in elke doorkomststad een minimale logistiek te garanderen. Dat was een combinatie van plaatselijke vrijwilligers, kerkelijke organisaties en handelaren die hun reserves aanspraken voor één dag publieke aandacht.
Het tactische verschil van De Koning
Wat Coen de Koning in 1917 onderscheidde van zijn directe concurrenten, was de manier waarop hij zijn krachten verdeelde. Anders dan veel Friese rijders, die uit gewoonte vooral op uithoudingsvermogen vertrouwden, paste De Koning principes toe uit de internationale schaatswereld: hartslag laag houden in de eerste uren, regelmatig kleine teugen drank nemen, en koerstechnisch zo dicht mogelijk bij andere rijders blijven om wind te besparen.
Die aanpak was in Nederland nog niet vanzelfsprekend. De Koning had hem opgedaan op internationale baanwedstrijden, waar drafstrategie en groepsschaatsen al meer ontwikkeld waren. In 1917 paste hij die kennis toe op een natuurijs-tocht van tweehonderd kilometer, en het werkte: door bewust energie te sparen had hij in de laatste uren nog reserves over die zijn tegenstanders kwijt waren. Het is een vroeg voorbeeld van wat we vandaag onder professionele wedstrijdtactiek verstaan, toegepast op een uitgesproken Friese context.
Deelnemers en tochtrijders in 1917
Het deelnemersveld in 1917 was groter dan in 1909, maar nog steeds bescheiden naar de maatstaven van later. De wedstrijdrijders stonden bovenaan op de lijst; daarachter een breed scala aan tochtrijders die zonder ambitie op de eindoverwinning gewoon wilden uitrijden voor het herinneringskruisje. Veel van die rijders waren Friese boeren, ambachtslieden of kantoorbedienden, gewend aan ijs maar niet aan extreme afstanden.
De kruisjes zelf waren al uitgegroeid tot een symbool. Wie er één bezat, kon dat aan eigen muur ophangen of aan kinderen en kleinkinderen tonen. Het deed er niet toe of de tijd negen of zestien uur was geweest — het kruisje was het bewijs van de tocht, en daar draaide voor de meeste rijders alles om.
Na 1917: een lange pauze
Na 1917 zou het twaalf jaar duren voor er weer een tocht kon worden verreden. Strenge winters bleven uit, of duurden net te kort. Pas in 1929 viel alles weer op zijn plek, en wel met een verhaal dat de geschiedenis zou bepalen — dat van Karst Leemburg en zijn afgevroren teen.
De Koning verdween na 1917 langzaam uit het Elfstedenverhaal als winnaar, maar bleef in de geschiedenisboeken staan als de man die als eerste twee zeges op zijn naam zette. Zijn naam keert terug in elk overzicht van alle winnaars. Twaalf jaar zonder Elfstedentocht — tussen 1917 en 1929 — zou tot de jaren tachtig de langste pauze blijven, een herinnering aan hoe afhankelijk de tocht is van het weer.