Een snelle tocht in een strenge winter
De winter van 1941-1942 was uitzonderlijk koud. Maandenlang lag heel Friesland onder een dik pak ijs, en de Elfstedentocht van 22 januari 1942 werd verreden op uitstekend voorbereide vaarten. De winnaar was Sietze de Groot, die zijn tijd op acht uur en vierenveertig minuten zette. Daarmee verbeterde hij de eerdere snelle tijden uit 1933 en 1941 ruimschoots.
Voor een tocht van tweehonderd kilometer was dit een opvallend hoog gemiddelde. Het ijs lag glad, de wind was beperkt, en het deelnemersveld bestond uit goed getrainde hardrijders. De Groot maakte van die combinatie optimaal gebruik.
Sietze de Groot, een terugkerende naam
De Groot kennen we al uit het verhaal over de Elfstedentocht van 1940, waarbij hij samen met vier anderen als gedeeld winnaar over de finish kwam. In 1942 won hij solo. Daarmee werd hij een van de schaatsers die zowel een gedeelde als een solo-overwinning op zijn naam heeft staan.
Zijn rijstijl was vloeiend en zuinig. Hij hield zich tijdens een groot deel van de tocht in de tweede of derde positie, en versnelde pas in de laatste uren. Die tactiek pakte goed uit: hij wist het tempo hoog te houden waar zijn concurrenten begonnen in te zakken.
De omstandigheden van 1942
Wie de Elfstedentocht van 1942 in perspectief plaatst, ziet dat de omstandigheden vrijwel ideaal waren. Het ijs was dik, glad en goed onderhouden. De temperatuur was streng vriesweer, maar zonder de extremiteiten van 1929. Er stond wind, maar niet vol op het traject.
Dat verklaart waarom drie jaren met opeenvolgende tochten — 1940, 1941 en 1942 — zo'n verschillend tempo lieten zien. Niet de rijders waren plotseling anders, maar het ijs en de wind. De Elfstedentocht is in dat opzicht altijd een product van zijn omstandigheden geweest.
Een tocht in bezet Nederland
1942 was opnieuw een editie onder bezetting. De sfeer was nuchter en sober. Toeschouwers stonden langs de route, maar de huldiging in Leeuwarden was bescheiden. In de plaatselijke kranten kreeg de tocht aandacht; in de landelijke pers was die aandacht beperkter door de oorlogscontext en de papier-restricties.
De drie opeenvolgende tochten 1940-1941-1942 vormden een onverwacht aaneengesloten reeks. Na 1942 zou het vijf jaar duren voor er weer een tocht zou worden verreden, en dat eerst in een totaal andere wereld.
Materiaal en techniek in 1942
Tegen 1942 hadden de toprijders hun materiaal op een hoog peil gebracht. Norenschaatsen waren scherper en lichter dan in de jaren tien en twintig, en gebogen ijzers gingen makkelijker door bochten. Wedstrijdkleding was gestroomlijnder, hoewel die ontwikkeling deels werd geremd door de stoffenschaarste van de oorlogsjaren — wol bleef de norm.
De Groot had zijn schaatsen door een lokale specialist laten slijpen kort voor de tocht. Dat soort details — de hoek van het ijzer, de spanning van de veters, de droogte van de kousen — maakte op een tocht van tweehonderd kilometer al snel het verschil tussen een uur sneller of langzamer. Dat geldt zeker als de omstandigheden zo gunstig zijn dat ze de marges vergroten, zoals in 1942 het geval was.
Sietze de Groots zomer en winter
Sietze de Groot kwam, net als veel andere Friese hardrijders, uit een wereld waarin schaatsen geen voltijds beroep was. Buiten de winters werkte hij gewoon door, en in de wintermaanden combineerde hij training met dagelijkse arbeid. Die manier van leven was kenmerkend voor de Elfstedentocht-winnaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw — van Karst Leemburg als kolensjouwer tot Adema en De Groot als doorsnee werkende mannen.
Wat hen onderscheidde, was dat ze hun lichaam onder vrijwel alle omstandigheden konden inzetten. Hun training bestond minder uit schema's dan uit ervaring: weten hoe lang je een tempo kunt volhouden, wanneer je moet eten, hoe je tegen wind in moet rijden. Voor De Groot kwam die ervaring in 1942 op het juiste moment samen met perfecte ijscondities. Het resultaat was een tijd die in zijn tijdperk uitstaakte boven alle andere.
De rijders achter De Groot
Hoewel De Groot won, was de kwaliteit van het deelnemersveld in 1942 hoog. Verschillende namen die in eerdere edities ook al hadden meegereden — onder anderen Auke Adema, die in 1941 als eenling had gewonnen — stonden weer aan de start. Dat maakte de tocht tot een wedstrijd waarin tactische keuzes telden: wanneer een aanval inzetten, wanneer in een groep blijven, wanneer juist solo doortrekken.
De Groot koos voor de gelijkmatige aanpak. Hij had vooral oog voor de slijtage van zijn directe concurrenten en wist precies wanneer hij hen kon laten staan. Op het laatste deel, in de richting van Leeuwarden, sloeg hij het beslissende gat. Geen spectaculaire actie, eerder een rustige opbouw die uitliep op een onbedreigde finish.
Een lange pauze tot 1947
Tussen 1942 en de volgende Elfstedentocht in 1947 lag de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog, met de Hongerwinter en het einde van de bezetting. Toen het ijs eindelijk weer geschikt was, was het land een ander land geworden. De Elfstedentocht van 1947 zou de eerste naoorlogse editie zijn.
De tijd van Sietze de Groot — acht uur en vierenveertig minuten — bleef tot ver na de oorlog gelden als een ijkpunt voor wat een goed georganiseerd, vlot getrokken Elfstedentocht aan tempo kon opleveren. In elk overzicht van alle winnaars staat 1942 vermeld als één van de snelste edities uit de eerste helft van de twintigste eeuw.